Beethoven en de dood (MuG)

Al die kunstenaars. Ze waren allemaal hartstikke arm. Van Gogh. Verkocht geen enkel schilderij. Gaugain vluchtte continu voor de armoede, de ellende, de liefdeloosheid en de kou. Rembrandt eindigde, zoals hij geboren was, arm en naakt. Jan Steen, moest er elke keer wat naast doen.

En dan heb je Ahmed Amsirot. Die doet het beter. Die ligt nu onder een satijnen laken naar zijn muze te kijken. Anne-Marie heeft haast. Ze moet werken. Zelfs op zaterdag spreekt ze af met cliënten.

Ahmed houdt van rennende vrouwen. Naar de spiegel. Afkeurende blik, beetje make-up, goedkeurende blik. Rode jurkje aan? Of toch die met die bloemen? Haar los. Hakken aan. Ahmed raakt altijd opgewonden van het tikken van haar hakken op de houten vloer. Dan is ze op haar mooist, als haar grote billen, in een te krap rokje, rondgingen als een betonmolen.

Ahmed zucht. Hij kan de verbeelding niet langer vasthouden. Want hij is niet bij Anne-Marie. Daarentegen ligt hij in een rottende flat aan het August Allebéplein te kijken naar een poster van Christiano Ronaldo. De kamer ruikt naar zweetsokken. Als hij even de oortjes uit zijn oren haalt, kan hij zijn gorgelende moeder horen. Maar Ahmed wil het niet horen. Hij luistert naar Beethoven. De negende. Omdat je daar zo goed op kunt neuken. Omdat het bonkt. Het zuigt. Anne-Marie en Ahmed zijn er gek op.

Hij woont weer bij zijn moeder. Dit is lijden. Ahmed ruikt aan zijn dekbed dat in geen eeuwigheid gewassen is. Dit is Van Gogh. Dit is armoede. Dit is het kunstenaarschap. Daar moet je doorheen. Als het gorgelen een keer ophoudt, is hij vrij. Ja. Natuurlijk, er is nog een vader, die vooral schreeuwt en slaat en zegt dat Ahmed zijn leven vergooid. Die is nu naar de moskee. En daarna drinkt hij thee in het theehuis. Dat zijn de momenten dat het rustig is in huis. Dat zijn de momenten dat hij in bed gaat liggen, om te denken aan Anne-Marie, haar bed, haar heerlijke lichaam, dat naar bloemen ruikt. Dat laatste was onzin, maar Ahmed vond het altijd leuk om te zeggen.

Een bed van bloemen. Blij.

En ik ben de bij. Ik ben erbij. En erin.

Ahmed noemde het gedicht ‘Mei’. Maar toen Anne-Marie vertelde dat Herman Gorter al geschreven had over een nieuwe lente, een nieuw geluid, veranderde hij de naam, in Juni. De lente was immers al zomer geworden, vond Ahmed.

Opstaan vanuit de hemel valt niet mee. Maar hij moet. Ahmed trekt de oortjes uit zijn oren en luistert naar de stilte. Dan trekt hij zijn broek aan, loopt naar het keukentje om de waterkoker aan te zetten. Dan gaat hij naar het balkon en steekt een sigaret op. Hij haalt diep adem. Hij leeft.

Als hij genoeg moed heeft verzameld, gaat hij de woonkamer binnen. Daar ligt ze. Fatima. Moeder tegen wil en dank. Haar hoofd hangt opzij, maar ze slaapt niet. Haar ogen zijn open, dof, flets. Ze is dood.

Ahmed moet iets voelen. Zijn moeder. Verdomme. Maar hij voelt niks. Hij voelt opluchting. Voor zichzelf, zeker, maar ook voor haar. Met zijn hand glijdt hij over de grote blauwe plek, boven haar oor. Dat was de laatste keer dat zijn vader haar geslagen had. Daar hoeft ze niet meer bang voor te zijn. Dat is voorbij. Zoals haar hele armoedige leven voorbij is.

Dit is deel drie van het feuilleton dat ik voor de MuG schrijf

Lees hier deel 2

Lees hier deel 1

Laat een bericht achter